Vanaf deze week verkrijgbaar: 'De prullenmand heeft veel plezier aan mij', mijn nieuwe boek.
De afgelopen jaren sprak ik met achttien oude(re) schrijvers die zichzelf bijna vijf decennia geleden tekenden. Ik deed briefjes in de bus van Lidy van Marissing, die niet meer buiten komt en niemand wil zien, ik ging langs bij de sonnettendichter Jan Kal die al ruim een jaar niemand had ontvangen, ik reisde naar de soms haperende Cees Nooteboom op Menorca, ik bezocht de vrolijke Hilbert Kuik en Mensje van Keulen, ik ontbeet met Judith Herzberg in pyjama.
Steeds weer draaide het om twee vragen: wat zag u toen, in 1977? En wat ziet u nu?
Dit project begon in 2022, toen ik in het ondergrondse archief van het Literatuurmuseum, tussen de torens van handgeschreven manuscripten en eindeloze briefwisselingen, een zelfportret aantrof van een ernstige schrijver. Zijn naam: Rudolf Geel. Een medewerker van het Literatuurmuseum zei peinzend: ‘Is die niet jaren geleden al overleden?’
Nee, Geel leefde nog, ik kende hem uit de verte. Inmiddels was hij een kwieke 82-jarige en hij leek nog altijd veel op zijn zelfportret. Zag hij zelf wel groot verschil met de figuur die hij destijds tekende? Ik ging bij Geel langs in Bussum-Zuid en we hadden een prettig, uitgebreid gesprek over het zelfportret en over de afgelopen vijftig jaar. Geel vertelde dat hij al decennia dagelijks schreef, maar niemand publiceerde zijn werk nog. ‘Nieuwe generaties komen op en daar moet ik ruimte voor maken,’ zei hij vrij monter.
Veel meer schrijvers bleken in 1977 zo’n zelfportret te hebben gemaakt. En ik wilde weten waar ze uithingen en waar hun wereld uit bestond.
Interviews met, op volgorde: Rudolf Geel, Judith Herzberg, Jan Kuijper, Arie van den Berg, Jan Donkers, Willem Jan Otten, Lidy van Marissing, Hilbert Kuik, Cees Nooteboom, Anton Korteweg, Guus Luijters, Jan Siebelink, Mensje van Keulen, Hans Vervoort, Jan Kal, Ad Zuiderent, Nicolaas Matsier, H.C. ten Berge.
P. 242, bij
@dasmag met medewerking van
@literatuurlab